
“The illiterate of the 21st century will not be those who cannot read and write, but those who cannot learn, unlearn, and relearn.”. Alvin Toffler
Een collega vroeg mij laatst: “Lees je al die boeken waar je recensies over schrijft ook echt?”. Meeveren leek me de beste strategie: “Nee joh, ben je gek, ik scan van elk boek de achterflap en knip en plak deze dan vervolgens op de computer in Word en zet het online”.
Het was niet zo’n gekke vraag. Op dezelfde dag sprak ik een relatie die vertelde over de eerste spreekbeurt van haar dochter. De zondagavond voorafgaand aan het ‘moment suprème’, had zij een presentatie die haar erg aansprak, gedownload van Slideshare.com. Op deze site plaatsen duizenden mensen hun presentaties, die voor een groot deel weer vrijelijk door anderen te gebruiken zijn.
Dochterlief zette vervolgens het PowerPoint-document op haar USB-stick en plugde deze de volgende ochtend in de schoolcomputer om zo ‘haar’ presentatie te geven. Ze scoorde zowel voor presentatiestijl als inhoud een 9. Haar aanpak vond nog veel navolging onder haar klasgenootjes. De docent was licht in verwarring over zoveel inhoudelijke kwaliteit. Van Slideshare.com had zij nog nooit gehoord.
Impliciet hebben we veel ideeën over wat hoort en wat niet hoort. Codes over hoe we dienen te leren, werken, leidinggeven, etc. Generaties lang zijn deze ingesleten. Ze bleken een succesvolle strategie om ons te bewegen in het industriële tijdperk. Nu loopt dat tijdperk echter op haar einde. Of we het leuk vinden of niet, we maken de overgang naar het digitale tijdperk.
En nu blijkt langzaam dat het ‘spel’ verandert. En hoe. Als door het internet informatie steeds beter, sneller en vrijer toegankelijk is, wat is dan nog de waarde van de kennis die opgedaan wordt uit deze informatie? Het zakenblad Businessweek schreef al in 2005: “The knowledge Economy is giving way to the Creative Economy. Information has become a commodity like coal or corn”.
Cees van de Par, directeur Het nieuwe leren bij Microsoft gaf het volgende voorbeeld: “Als we met elkaar overleggen tijdens een examen, dan vinden we dat geen proeve van samenwerken, nee dat noemen we fraude”.
Een collega van mij schreef onlangs een stukje over de ‘digital natives’. Zij gaf aan dat het niet per definitie een omschrijving is van een generatie, hoewel het veelal mensen zijn, geboren na 1980. Digital natives zijn opgegroeid in een digitale wereld. Anders dan de ‘digital immigrants’ zoals ikzelf, die opgegroeid zijn in een wereld zonder internet en hebben moeten leren integreren in deze nieuwe, digitale wereld. Het internet is de ruggengraat in de wereld van de digital native. In hun mediaconsumptie heeft het internet een groter aandeel dan TV.
In de jaren ‘60 en ‘70 was er zoiets als de generatiekloof. Veel jongeren en ouderen konden elkaar maar moeilijk begrijpen. Volgens sommige experts staan we nu niet voor een kloof, maar voor een totale tweedeling. Die tussen de digital natives, de digital immigrants en de ‘thuisblijvers’. Nogmaals, het gaat hier niet uitsluitend om generaties.
Als digital immigrant werk ik, net als veel anderen, al enige tijd aan mijn ‘digitale inburgeringsexamen’. Iedereen die een vreemde taal beheerst, zal je kunnen vertellen dat je deze het beste leert door een tijd in een land te gaan wonen waar de desbetreffende taal gesproken wordt. Ik heb dus maar hetzelfde gedaan en me vrij intensief online begeven. Als ware ik aan het slingeren was in het oerwoud. De mij bekende liaan stevig vasthoudend, heen en weer zwaaien en zien of ik met de andere hand de verderop liggende liaan kon vastpakken. Beter twee lianen vast dan één, leek me.
Is het leuk? Leidt het ergens toe? Vaak wel, soms niet. Het kost me inspanning om zaken onder de knie te krijgen of in ieder geval om ze zo te kunnen doorgronden dat ik kan beslissen of ik er echt wat mee kan of niet. Soms kost het maanden, vaak gaat het gelukkig ook sneller. Mijn neefje van acht heeft in ieder geval mijn nieuwe iPod en heel veel andere zaken een stuk vlotter door dan ikzelf.
Dat integreren lastig is, merk ik ook aan de digitale immigrants die wat later instappen of nog aan het overwegen zijn of ze dat überhaupt willen doen. De overtuigingen uit het tijdperk dat we kennen, zijn sterk. “Nou, nou jij durft, om zo overal op internet je gezicht te laten zien”. “Waar haal je al die tijd vandaan? Leidt je werk en/of je relatie er niet onder?”. “LinkedIn? Dat lijkt me vooral iets voor opportunistische baantjes jagers”. “Twitter, daar wil iemand die zich toch ook maar een beetje een intellectueel acht, zich toch niet ophouden?”. “Iemand die zo veel mailt die kan toch geen zinnig leven hebben”. “Ik bewonder dat jij het doet, maar voor mij is het niets”. “Ik ben zo druk, ik snap dat het belangrijk is, maar heb geen tijd om me er in te verdiepen”. Etc.
Net zo waardevol zijn aan de andere kant de handreikingen, gedeelde experimenten, complimenten, ongedachte ontmoetingen, (zakelijke) successen, vrijgevige uitwisseling van kennis en de ontdekking van onvermoede talenten (bij mijzelf en anderen).
Voor een groot deel herken ik de genoemde sentimenten; enkel al omdat ik ze zelf soms gevoeld en gedacht heb. Want is het exhibitionistisch gedrag om je inzichten via een blog te delen of is het juist een manier om je visie samen te vatten en een oefening in publiek optreden? Kost het verkeren op LinkedIn en Facebook je nu juist meer van je al kostbare tijd of helpt het sociale netwerk je die tijd efficiënter te besteden? Is ‘Twitteren’ een grove inbreuk op de privacy van jezelf en anderen of juist een oefening in kwetsbaar en transparant werken en leven?
Een ieder wens ik een eigen antwoord, zoals ik ook een ieder het waardevrije experiment gun. Dat is voor mij de essentie van Leren in een werkelijkheid die niet komt, maar al is.




